Blogs

Doe Maar Oelalala – Rosanne Alderliefste

Vandaag mocht ik weer spelen op de IC-afdeling van het UMCU, de afdeling waar ik het muziek maken voor patiënten heb ‘geleerd’. Onwennig, want ik was al een tijd niet geweest. Ik zocht naar vertrouwde gezichten, maar herkende eigenlijk niemand. Zij mij ook niet natuurlijk. Een super vriendelijke IC-medewerker vond mij blik. “Wat goed dat je er bent, ik weet zeker dat de patiënten hier behoefte aan hebben.” Altijd fijn om deze bevestiging weer te horen. In de koffieruimte vraag ik of ik erbij mag zitten. Daar zitten een paar medewerkers van hun pauze te genieten die ik liever niet stoor. Gelukkig vinden ze het geen probleem en zijn ze alleen maar geïnteresseerd. Ik stem rustig in een hoekje m’n gitaar, neem een slok water en loop de gangen in. 

Na een aantal mooie momenten met patiënten, neem ik een korte pauze. Tegelijkertijd met een aantal IC-medewerkers van de COVID-unit. Beleid is dat wij hier niet spelen. Ze vragen hoe de patiënten de muziek ervaren en hoe het voor mij is. We praten over contrasten tussen verlangen naar samenkomen, muziek en festivals, en het terugkomen naar je oude baan vanwege de blijvende druk op de IC. Over hoe heerlijk het lijkt om te kunnen zingen en spelen. Over wel talent hebben en deze nooit ontwikkelingen, tot de overtuiging van toondoof zijn. “Vinden jullie het anders fijn als ik iets voor jullie speel?” Een van de medewerkers roept nieuwsgierig ja en gaat er goed voor zitten. Ik zet m’n beste beentje voor met de uptempo Amy Winehouse. Een succes. Kaartje wordt gevraagd, oeps vergeten, namen genoteerd, Stichting MuzIC geapplaudisseerd. De IC-medewerkers gaan weer terug naar de warme afgesloten pakken, en ik pak mijn gitaar voor een volgende ronde muzikale rust.

Tijdens het spelen tref ik een aantal verpleegkundigen die mee willen zingen en zelfs een stukje op mijn gitaar durven te spelen. Onbekend talent, maar niet onbenut. Patiënten kijken afgeleid door nieuwsgierigheid toe vanuit hun bed. Wanneer ik door de laatste gang van kamers terugloop naar de koffieruimte om af te ronden, tref ik een bekend gezicht. We kletsen vlug wat bij over het leven, muziek, Corona, vaccins en de werkdruk op de IC. Zou ik het zelf in vullen, of klopt het dat ik een zekere vermoeidheid lees in de ogen van de IC-medewerker? Ik denk terug aan de laatste keer voor Corona dat we samen dansten op “Doe maar” en alle medewerkers keihard meezongen met “OELALALALALA”. Tussen brave burger en toegeven aan behoeftes als liefde, aandacht en samenkomen in, zing ik voorzichtig: we zijn er bijna, we zijn er bijna, maar nog niet helemaal.